Voor 2026 heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) opnieuw de beleidsregels en tarieven voor de GGZ en FZ herzien. Geen grote stelselwijzigingen, maar wel aanpassingen die in de praktijk voelbaar zijn. De NZa kiest voor stabiliteit in het zorgprestatiemodel, maar scherpt verschillende onderdelen aan. In dit overzicht nemen we je mee door de belangrijkste wijzigingen én wat dit betekent voor organisaties, behandelaren en zorgadministraties.
Stabiliteit in het model, detailwijzigingen in de praktijk
De basis van het zorgprestatiemodel blijft ongewijzigd. Consulten, tijdseenheden en settings blijven zoals ze zijn. Dat geeft rust. Maar juist in de details zit de beweging.
Zo worden orthopedagoog-generalisten (OG) en physician assistants (PA) vanaf 2026 toegevoegd aan de beroepscategorie ‘Gezondheidspsycholoog’. Dat verandert niets aan hun rol, maar wel aan de financiële dynamiek. Hiermee sluit de bekostiging van de inzet van deze professionals beter aan bij hun inschaling in de cao GGZ.
Ook Spravato (esketamine) krijgt een duidelijkere plek. Tot en met 2025 kon het toedienen van Spravato alleen als toeslag worden gekoppeld aan een volledig consult. Met name in de klinische setting sloot deze toeslagconstructie niet goed aan op de praktijk. Vanaf 2026 wordt Spravato daarom als losse prestatie geregistreerd en gedeclareerd.
De strikte informatie-eis rondom de AGB-code van verwijzers leidde in de praktijk regelmatig tot afkeuring van declaraties, bijvoorbeeld bij huisartsen die werkzaam zijn binnen een huisartsorganisatie (hidha’s). Vanaf 2026 formuleert de NZa deze eis ruimer en volstaat in dergelijke gevallen de AGB-code van de zorgaanbieder. Deze verruiming verandert niets aan wie mogen verwijzen; de verwijsafspraken blijven ongewijzigd.
Tot slot veranderen de tijdseenheden voor de prestaties ‘Consultatie bij euthanasieverzoeken’ en ‘niet-basispakketzorg’. Vanaf 2026 worden deze prestaties per 15 minuten gedeclareerd. Hierdoor kunnen zorgverleners nauwkeuriger registreren hoeveel tijd zij daadwerkelijk besteden. Deze aanpassing sluit beter aan bij de praktijk, maar vraagt wel om wijzigingen in de administratieve systemen van zorgaanbieders.
Prestaties vervallen, tarieven herijkt
De transitieprestatie, die ooit nodig was bij de overstap naar het zorgprestatiemodel (ZPM), is definitief verdwenen. De functie is uitgewerkt en de prestatie is niet langer nodig. De transitieprestatie is dan ook niet meer opgenomen in de contractafspraken met zorgverzekeraars.
Ook de prestatie ‘Verblijf met rechtvaardigingsgrond’ (VMR) wordt geschrapt. Deze keert wel terug als label op reguliere verblijfsdagen. Daarmee blijft de informatie behouden, terwijl de aparte en complexe registratie vervalt.
Zorgvraagtypering: kleine aanpassing, geen grote wijzigingen
Het zorgvraagtyperingsmodel blijft inhoudelijk hetzelfde. De voorgestelde samenvoegingen zijn nog niet doorgevoerd. Wel is het algoritme geactualiseerd met recente data. Organisaties hoeven daardoor nog geen grote wijzigingen door te voeren, maar het blijft belangrijk dit dossier goed te blijven volgen.
Verwijsdatum wordt verplicht
Vanuit het Integraal Zorgakkoord (IZA) is de wens ontstaan om beter zicht te krijgen op wachttijden in de GGZ. Onderzoek liet zien dat dit mogelijk is door declaratiedata te combineren met verwijsinformatie. Daarom heeft de NZa besloten dat vanaf 2026 elke declaratie verplicht een verwijsdatum moet bevatten.
Systeemtherapeut officieel in de beroepenlijst
Vanaf 2026 is de systeemtherapeut opgenomen in de veldnorm voor GGZ en FZ. De rol blijft wel begrensd: geen regiebehandelaar, maar wel een duidelijke plek binnen het multidisciplinaire behandelplan. Een belangrijk onderdeel van deze afbakening is dat zorgverleners met een regiebehandelaarberoep zich niet als systeemtherapeut registreren.
De centrale inkoop van de DSM-5-licentie stopt
Tot en met 2025 kocht het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport centraal de licentie voor het gebruik van de DSM-5 in voor alle GGZ-instellingen. Vanaf 2026 stopt deze centrale inkoop en worden instellingen en vrijgevestigden zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van een licentie.
Inhoudelijk verandert er weinig: het stellen en registreren van een DSM-5-diagnose blijft verplicht voor declaratie. Dat betekent dat vrijwel alle GGZ-professionals over een geldige licentie moeten beschikken om volgens de regels te kunnen blijven werken.
Een licentie kan rechtstreeks worden aangeschaft bij de Nederlandse uitgever, maar ook via brancheorganisaties of softwareleveranciers. De Nederlandse GGZ, MEERGGZ, NIP, NVP, NVZ, UMCNL en LVVP maken afspraken met de uitgever over collectieve inkoop. Afhankelijk van de gekozen route kunnen hier kosten aan verbonden zijn.
Wat betekent dit voor organisaties?
Hoewel de grote lijnen hetzelfde blijven, is het belangrijk dat GGZ-aanbieders aan het begin van het jaar controleren of alle wijzigingen correct zijn verwerkt in systemen en werkprocessen.
Administratieve systemen moeten worden aangepast aan de nieuwe tijdseenheden voor de prestaties ‘Consultatie bij euthanasieverzoeken’ en ‘niet-basispakketzorg’. Ook moet de nieuwe prestatie voor Spravato zijn ingericht. Behandelaren moeten bovendien goed worden geïnstrueerd over wat deze wijzigingen betekenen voor hun registratie.
De nieuwe inschaling van de orthopedagoog-generalist en physician assistant heeft waarschijnlijk de grootste financiële impact. Voor instellingen met veel van deze professionals is het belangrijk om te monitoren of de werkelijkheid aansluit bij de prognoses en welk effect dit heeft op eventuele budgetplafonds.
De rode draad: de regels zijn duidelijker geworden en sluiten beter aan bij de praktijk, maar de overgang vraagt aandacht.
Meer blogs
Neem contact op voor meer informatie.
Lars Blaauwbroek
Accountmanager - FITZ Zorg